Blog


Permalink to Een Haagse directe

Een Haagse directe

De rechterhandschoen is nog nat. Ik voel het zweet van mijn voorganger. Als ik de bokshandschoenen straks uittrek, zullen mijn vingertoppen gerimpeld zijn, alsof ik te lang in bad heb gezeten. De geur die de dingen afgeeft, krijg je de eerste paar dagen ook niet van je handen af. Ik heb geprobeerd te wassen met afwasmiddel, allesreiniger en tandpasta, maar het helpt niet: de scherpe stank nestelt zich onder je nagels en kruipt in je poriën.

Ik sta in de Haagse boksschool, op drie minuten lopen van huis. Mijn buurmeisje staat tegenover me. We zijn de enige vrouwen in de beginnersgroep. De instructeur schreeuwt naar ons dat we harder moeten slaan, dat we sneller moeten uitstappen, en dat we onze handschoenen bij de kin moeten houden. Mijn buurmeisje trekt een vies gezicht. Ze is best wel een tutje, en vindt de handschoen té erg stinken om hem bij haar kin te houden. Toch genieten we enorm van de lessen. Boksen blijkt een fantastische activiteit om alledaagse, of minder alledaagse, zaken even te vergeten. Terwijl ik buurvrouw een linkse directe op haar geheven handschoen geef, vergeet ik dat de boekpresentatie van Hybris al over een paar dagen is. Als ik een rechtse hoek op haar laat neerkomen, denk ik even niet aan de interviews die ik moet afnemen en geven. Bij mijn linkse opstoot zijn al mijn zorgen weg, hoef ik me over niets anders druk te maken dan goed boksen en de leuke jongens die buurvrouw aanwijst. “Is dat niet iets voor jou? Nee? Nou, ik neem hem wel, hoor!”

Enige tijd geleden zaten we samen op de bank, rokend en drinkend, terwijl we tegen elkaar zeiden dat we echt weer zouden moeten sporten. Volgende maand, of zo. We bedachten toen dat we elke week een andere proefles zouden kunnen volgen. Dat werd geen succes. De eerste week gingen we naar yoga. De instructrice bezorgde me de kriebels, vooral omdat ze voortdurend zei dat ‘we een wens in gedachten moesten houden, visualiseren, bijvoorbeeld wereldvrede’. Dat was iets te zweverig voor me. Bovendien moesten we elke houding drie minuten aanhouden. Dat voelde niet bepaald als sporten.

De week erop hebben we een proefles pingpong gevolgd. Ik heb nog steeds nachtmerries over de Aziatische meneer die zonder te knipperen al mijn verkeerd geplaatste forehand-, slice- en backhandballen met één hand uit de lucht ving, om zonder pauze te nemen de bal weer op te gooien. Op zijn t-shirt stonden twee brandende tafeltennisbatjes, met de tekst ‘My sport, my love’. Het was een leerzame ervaring (zo heb ik ontdekt dat pingpong erg populair is in Maleisië) en ook echte sport (ik geloof niet dat ik ooit eerder zoveel spierpijn heb gehad), maar ik durf echt nooit meer terug naar die man.

Zo kwamen we dus terecht bij boksen. Dat hebben we nu al een paar keer gedaan. Zodra we hier genoeg van hebben, gaan we wel weer proeflessen volgen, maar voorlopig nog niet. Ik staar dromerig voor me uit. Dan slaat mijn hoofd achterover. Buurmeisje sloeg te vroeg, wachtte niet tot mijn handen opgeheven waren, zodat ze daar tegenaan kon slaan, maar mepte al terwijl de stinkende handschoen nog keurig tegen mijn kin aan zat. “Oh, sorry!”, haast ze zich te verontschuldigen. “Je zat te dromen! Waarover, de boekpresentatie komende zaterdag, of de interviews die je moet doen?”

En met een klap ben ik weer terug in de realiteit.


Permalink to Van Zetten ook goud, graag

Van Zetten ook goud, graag

“De salto. De Gaylord 2. Kan hij doorgaan? Ja, hij kan doorgaan! Hij heeft wel iets vertraagd, maar hij kan door. Hij doet zijn hele oefening hoor. Hij gaat voor zeven negen. Dan de halve draai, dan moet nog de kwast komen en is allesbeslissend nu de afsprong. De afsprong. Dubbele salto, flying Dutchman!” Het enthousiasme van turnpresentator Hans van Zetten werkt aanstekelijk. Onder turners is de presentator dankzij zijn kennis van de sport een begrip, maar ook voor de onbevangen kijker maakt de commentator de sport leuk. Zo vertelt Van Zetten, wanneer op vloer een hoge hoeksteun uitgevoerd wordt, dat hij die zelf vroeger ook in zijn eigen oefening had. Die kon hij thuis namelijk oefenen omdat hij er geen toestellen voor nodig had.

Van Zetten (63) is ooit begonnen als wedstrijdturner. Daarna werd hij clubtrainer, bondscoach en docent, om uiteindelijk bij zijn huidige baan als televisiecommentator te belanden. Zijn uitgebreide cv staat vol met sportgerelateerde betrekkingen. Zo neemt hij plaats in sportadviesraden en schrijft hij columns voor het GYM magazine van gymnastiekbond KNGU. Voor de NOS is hij specialist voor artistieke olympische sporten, zoals turnen, ritmische gymnastiek en trampolinespringen. Zijn rijke verleden binnen de turnsport schemert  voortdurend door in zijn commentaar. 

Van Zetten maakt de kijker vertrouwd met begrippen als de ’tsukahara-techniek’, legt geduldig uit dat een trillende rekstok bij de afsprong betekent dat die afsprong niet goed is ingezet, en vertelt dat het zo moeilijk is om schroefsalto’s te turnen omdat een turner om twee lichaamsassen tegelijk moet draaien. Ook zegt hij dat jonge vrouwelijke turnsters altijd in het voordeel zijn: de gemiddelde leeftijd tijdens de kwalificaties was niet voor niets achttien jaar, waar de gemiddelde leeftijd tijdens de finales zeventien jaar was. Dat zijn leuke feiten, die Van Zetten ogenschijnlijk moeiteloos combineert met zijn expertise en enthousiasme. Door vrij verder te associëren, lijkt hij soms bijna te vergeten dat er turnen uitgezonden wordt. Tot het volgende spectaculaire element hem een  uitroep ontlokt.

Van Zetten is vertederend. Het aantal keren dat hij bij vertraagd uitgezonden beelden van een schaapsprong (website KNGU: “Sprong met achterwaartse buiging van het bovenlichaam en hoofd  achterover en de voeten bijna het hoofd rakend”) verbluft uitroept dat “de tenen de neus bijna raken!” is ontelbaar. Net als zijn oprechte verwondering als turnsters het voor elkaar krijgen om met méér dan honderdtachtig graden beenspreiding spagaatsprongen te turnen.

Gisteren becommentarieerde Van Zetten de oefening van Epke Zonderland. Zonderland haalde zijn befaamde Cassina-Kovacs-Kolmancombinatie: drie vluchtelementen achter elkaar, die gecombineerd extra verbindingswaarde opleveren. Van Zettens commentaar op deze historische prestatie leverde hem veel lof op Facebook en Twitter op. Overal verscheen de oproep om Van Zetten óók een gouden medaille te geven. In navolging van de Mart Smeets-bingo verscheen nu ook de Van Zetten-bingo, met klassieke uitspraken als ‘amplitude’, ‘Code of Points: de turnbijbel’, ‘nahup’ en ‘kleine balansverstoring’.

Meer dan terechte lof voor de presentator, die een onuitwisbare indruk achterliet op de luisteraars: “En hij staat! En ik sta! Het is ongekend! Epke Zonderland heeft hier de oefening van zijn leven geturnd! Hij staat en iedereen! Ik sta ook! Ik ga helemaal uit mijn dak!” Om vervolgens trots te vertellen hoe mooi het is als je voor het eerst in je leven een reuzendraai mag turnen. Daarna, plechtig: “Jongetjes van Nederland, het kan dus. Ook al woon je in Nederland. Ga aan de slag! Ga aan het werk! Stel een doel!”

Geef die man een medaille. Niet alleen voor Zonderland was het de oefening van zijn leven, maar óók voor Hans van Zetten.


Permalink to De weg naar Success

De weg naar Success

“Sorry, maar je wordt niet toegelaten. We vinden dat je succesfactor te laag is.” Stomverbaasd zat ik bijna een jaar geleden te luisteren naar de mannen van de toelatingscommissie, die me net hadden afgewezen voor de master Journalistiek. Ik heb altijd geroepen dat ik het schrijven van boeken wilde combineren met journalistiek werk. Deze combinatie zou, zo had ik in gedachten, mijn droombaan opleveren.

“Mijn succesfactor te laag?”, stamelde ik. Ik was verbaasd en een beetje boos, wist eigenlijk ook niet zo goed wat een succesfactor eigenlijk was. “Wat bedoelt u?”

“Nou, we denken dat je niet in staat bent de opleiding te halen in het jaar dat ervoor staat,” zei de man die ik net tien minuten eerder voor het eerst ontmoet had.

Het was niet eens de afwijzing die ik zo erg vond, maar de reden. Het ging de mannen van de toelatingscommissie blijkbaar niet om een vaardigheid, die ik zou kunnen oefenen en verbeteren, maar om een algeheel ‘te dom zijn’. Ik ging volkomen gedesillusioneerd naar huis.

Afgelopen vrijdag was ik op bezoek bij het gebouw van NRC Handelsblad. Geïmponeerd nam ik plaats bij de receptie, waar ik even later werd opgehaald door de stage-coördinator van de krant. Drie kwartier later stapte ik naar buiten met het vooruitzicht op een voltijd stage van drie maanden. Ik zal komende zomer terechtkomen op de redactie Media, waar ik ook echt elke dag moet werken. Echt elke dag met de krant bezig zijn. Écht schrijven.

De situatie bracht een vakantie in herinnering. In 2008 was ik met mijn ouders naar Amerika, waar we zes weken zouden rondreizen. We wilden na een stranddag teruggaan naar onze camping in Malibu, toen we werden tegengehouden door de sheriff. Hij vertelde ons dat we niet verder konden omdat de camping in brand stond. Na kort overleg pakten we de kaart erbij. Iemand – ik weet niet meer wie – deed de ogen dicht en prikte. Onder de vinger bevond zich Lake Success. “Mooi,” zeiden mijn ouders, “dan wordt dat onze volgende bestemming. Het klinkt in ieder geval veelbelovend!”

Toen we er na een paar uur rijden arriveerden, bleek dat de toegangsweg tot Lake Success afgesloten was door een slagboom. We stapten uit de auto (een overdreven Amerikaanse bak) en ontdekten dat om het huisje rechts van de slagboom nog een weg liep. Door simpelweg om het huisje heen te rijden konden we alsnog bij Lake Success komen.

Daar moest ik allemaal aan denken toen ik vrijdag aangenomen was voor een stage bij de krant. Ik voelde de neiging om de toelatingscommissie van de master Journalistiek een berichtje te sturen, maar bedacht tijdig dat dat misschien niet de verstandigste zet zou zijn. Ik vind het in ieder geval een bevredigend idee dat mijn succesfactor iets verhoogd is.
Bij succes(s) ben ik nog niet, maar in ieder geval al wel aan de andere kant van de slagboom.


Permalink to (1989!)

(1989!)

In het nieuwe gebouw van De Arbeiderspers / A.W. Bruna wordt een auteursborrel gehouden. Ik sta nonchalant aan mijn champagne te nippen. Het voelt heel natuurlijk, hier zou ik best aan kunnen wennen. De overgrote meerderheid van de aanwezigen is grijs of kaal. Mijn studie, sport en stapavonden lijken ver weg. Ik raak aan de praat met een schrijver die net als ik de gemiddelde leeftijd flink naar beneden lijkt te halen. Als ik deze gedachte met hem deel, kijkt hij me even bevreemd aan. “Ik ben 41, hoor. Hoe oud ben jij dan?” Hij lijkt te schrikken als ik vertel dat ik 22 ben.

Het overkomt me de laatste tijd steeds vaker. Even daarvoor nog werd mij door een schrijfster die ondertussen al een behoorlijk oeuvre had opgebouwd gevraagd wat ik dan deed. “Jij schrijft ook? Hoe oud ben je dan?” Bij de borrel na Tijd voor MAX werd gesteld: “Hoe je het ook wendt of keert, jij bent nog heel erg jong.” En in een recensie van Passionata Magazine vond ik de zin: “Over het vacuüm na deze waargebeurde vermissing schreef Marcella Veldthuis (1989!) het verrassend rijpe debuut Boven water.” Ik verbaasde me over het uitroepteken.

Het geeft te denken. Wanneer houdt leeftijd op in je voordeel te werken? Wanneer veranderen de woorden ‘nog maar’ voor het aantal jaren in ‘al’? Wanneer durven mensen zelfs niet meer naar je leeftijd te vragen, uit angst dat de vraag als beledigend wordt ervaren?

Met elke keuze die ik nu maak sluit ik andere mogelijkheden uit. Ik ben het punt gepasseerd dat de ‘echte volwassenen’ met een vleugje jaloezie in hun stem zeiden dat de hele wereld nog voor me openligt. En de Mozart van de literatuur zal ik ook nooit meer kunnen worden. Ik voel me dus zeker niet zo jong als iedereen me lijkt te beschouwen.

Na de borrel haastte ik me naar het station om de trein naar het noorden te halen. Mijn sigaretten waren op, dus ik sprintte nog snel de AH to go in om een nieuw pakje te kopen. “Mag ik je legitimatie even zien?” vroeg het meisje achter de kassa.

Verbaasd keek ik haar aan. “Is mijn rijbewijs oké?” Ik diepte het roze pasje op uit mijn portemonnee.

Het meisje werd rood. “Sorry,” zei ze, “onder de twintig jaar moet ik het nog vragen.”

Het moet niet gekker worden.


Permalink to Grunningse nuchterheid

Grunningse nuchterheid

Vorige week had ik ineens mail van Tijd voor MAX. Daarin stond de vraag of ik de uitgeverij even drie boeken kon laten opsturen, omdat ik héél misschien in het programma van 6 februari mocht komen. Ik mailde het direct door naar de uitgever. De volgende middag werd ik al gebeld. Het meisje aan de telefoon had het boek al uit, vertelde ze. En de vraag of ik misschien maandag te gast wilde zijn in het programma. En, heel belangrijk, had ik de zebra nog die ik destijds moest kleien?

Nee, die heb ik niet meer. Misschien maar goed ook, want iedereen zou direct twijfelen aan mijn creatieve vermogens. Ik weet nog goed dat ik de zebra boetseerde en mijn moeder me even bemoedigend op mijn arm klopte. “Mooi, hoor. Je giraffe begint al echt ergens op te lijken!” En ze deed het niet eens expres.


Afgelopen maandag gingen we dus naar Tijd voor MAX. Eerst zou alleen mijn moeder meegaan, maar op het laatste moment schoven mijn vriend en een vriend van de familie nog aan. In de auto was ik al gespannen. We waren een uur te vroeg in Hilversum. De deur van studio 23, onze bestemming, was nog niet eens open. Een medewerker liet ons binnen en ik werd direct naar een visagiste geleid. Onze jassen konden intussen wel even in onze eigen kleedkamers neergelegd worden. We brachten de uren tot de uitzending door met voorgesprekken, handjes schudden, het bevestigen van zendertjes en praten met alle programmamedewerkers.

Het was fantastisch. Wat werden we in de watten gelegd. En wat was iedereen lief. En wat vonden ze het eng dat ik zo zenuwachtig was. Wat hebben ze dus ook vaak gevraagd of ik iets kalmerends wilde. En wat viel het achteraf allemaal mee.

Na de uitzending was de eerste vraag die mij gesteld werd: “Rood of wit?” Sybrand Niessen schonk een wijntje voor me in. Ik liet De Vliegenvanger signeren door Rik Felderhof en praatte nog even met Martine van Os. Het was kortom een hele geslaagde dag.

Is er dan niets misgegaan? Nou, wel bijna. Mijn moeder zat in het publiek en kreeg de vraag of wij ooit in paniek waren geraakt. Ze antwoordde ontkennend.

“Is dat die Grunningse nuchterheid ook?”, vroeg Sybrand, live in de uitzending.

Ik zat me te verbijten. Ik zag de blooperfilmpjes van De wereld draait door al voor me. Leuke reclame voor Boven water, maar iets minder leuk voor mijn moeder…

Mijn moeder, een rasechte Fries, aarzelde even voor ze antwoord gaf. “Nou ja, denk het” zei ze toen.

 


Permalink to Gezocht: bedrijfsfilosoof 0,6 fte

Gezocht: bedrijfsfilosoof 0,6 fte

Mijn ouders hebben aantoonbaar enkele fundamentele opvoedkundige steekjes laten vallen, maar één ding hebben ze heel goed gedaan: ze hebben me altijd gestimuleerd om te doen wat ik wil. Ik herinner me nog goed dat ik in de derde klas van het Vwo een profiel moest kiezen. Ik twijfelde. Mijn ouders vroegen me toen:

“Hoe zie je jezelf over twintig jaar?”

Ik antwoordde: “Dan schrijf ik boeken.”

Mijn ouders stelden: “Dan moet je iets kiezen wat je helpt om dat doel te bereiken.”

Dat is nu zeven jaar geleden. Ik heb toen gekozen voor het profiel Cultuur & Maatschappij. Volgens sommigen een pretpakket, maar voor mij een mogelijkheid om mijn droombaan te vinden. Na het Vwo ging ik Nederlands studeren in Amsterdam, behaalde mijn diploma en intussen ben ik alweer halverwege de master van deze opleiding, maar dan in Leiden. Nu, zeven jaar na het gesprek met mijn ouders, lijkt mijn droom uitgekomen: mijn eerste boek ligt in de winkel en de tweede komt eraan. Ik vind het heerlijk. Er is maar één probleem: van boeken schrijven kun je niet leven.

Als je iets demotiverends wilt doen, raad ik je aan om met een bachelordiploma Nederlands te gaan solliciteren. Als je je zelfvertrouwen compleet kwijt wilt raken, moet je eens met een diploma Nederlands een uitzendbureau inlopen.

“Wat voor werk zoek je?”

“Werk dat iets te maken heeft met Nederlands of schrijven.”

“Oké, heb je je onderwijsbevoegdheid?”

“Nee.”

Dit is meestal het punt waarop mensen even stilvallen en een diepe frons in hun voorhoofd verschijnt.

“Oh. Maar, wat kán je dan eigenlijk?”

Vaak is er wel een vacature als tekstschrijver, maar wordt tegelijkertijd gevraagd om ervaring met grafische media, minstens vijf jaar ervaring als directiesecretaresse, affiniteit met dakkapellen en klassieke muziek en o ja, als je ook nog olifantenfluisteraar bent is dat zeker een pre!

Het is mijn eigen schuld: op de Universiteit van Amsterdam had ik de mogelijkheid om mijn tweedegraads onderwijsbevoegdheid te halen. Ik heb dit uiteindelijk niet gedaan omdat ik enorm opzag tegen het dagelijks dresseren van dertig lastige pubers in een klaslokaal. En dan ook nog elk uur een nieuwe lichting. In plaats daarvan heb ik vakken met namen als ‘De geluksopvatting van Aristoteles’ en ‘Het kwaad in de filosofie en literatuur’ met prachtige cijfers afgerond. Tot op heden ben ik alleen nog geen vacature tegengekomen voor een ‘bedrijfsfilosoof’ of ‘gelukspecialist’.

Hoe zie ik mezelf over dertien jaar? Ik weet het niet meer. Ik schrijf boeken. Maar verder?


Permalink to Twee Amsterdammertjes

Twee Amsterdammertjes

Ik voelde me net een inbreker toen ik door de Selexyz sloop. Na mijn vorige bericht over het onderwerp, heb ik mijn eigen boek namelijk nog steeds niet in de boekhandels gezien. Dit kwam een helemaal naar Groningen afgereisde studiegenoot uit Amsterdam te weten. Hij was in de stad om me te interviewen voor het Amsterdamse Absint, een universiteitsblad verbonden aan de studie Nederlands.

Ik vond het leuk, want in al die jaren dat ik heen en weer gereisd heb tussen Groningen en Amsterdam, is het me nog nooit gelukt een Amsterdammer verder te laten reizen dan tot Amersfoort. Daarna worden ze bang en willen ze terug. Mensen uit Amsterdam schijnen namelijk vast te houden aan het oude idee dat de wereld plat is, en dat die ophoudt bij de grenzen van de Randstad. Mijn Amsterdamse studentenleven heeft zich dan ook echt alleen afgespeeld in Amsterdam. We gingen de kroeg in na college, dronken bier en maakten wilde plannen voor de toekomst. Maar het was altijd een Amsterdamse kroeg.

Ik besefte dus heel goed hoe bijzonder het was om de oud-studiegenoot in Groningen te mogen ontvangen. We rookten een sigaret, slenterden wat rond over de Vismarkt en becommentarieerden de ‘kermis’ of wat daarvoor door zou moeten gaan – het bestond in ieder geval uit enkel een reuzenrad en een draaimolen. Ik vroeg hoe het in Amsterdam is sinds ik daar niet meer studeer en we namen de recentste roddels door over onze (ex-)medestudenten en (ex-)docenten. Weinig veranderd sinds ik was vertrokken, alles gaat zijn gangetje en ja, die en die gedroegen zich nog steeds zus en zo.

Grappig: als je ergens vertrekt, zeggen de achterblijvers altijd dat er niets veranderd is, terwijl je zelf bij terugkomst meestal ziet hoe opvallend weinig hetzelfde is gebleven.

Maar goed, toen we de Selexyz passeerden, besloten we om even binnen te gaan kijken. Enkele dagen ervoor had mijn oma me nog via de telefoon verzekerd dat ik er écht lag (“Ja, en ook in die andere boekhandel!”). De Amsterdamse studiegenoot en ik gingen dus naar binnen en liepen rechtstreeks naar de Literatuur top 10. Daar lag ik niet. Op de hele afdeling ‘Literatuur’  was ik niet te vinden. We besloten het professioneler aan te pakken en liepen beiden zoekend een andere kant op. Na tien minuten troffen we elkaar weer – ik was neerslachtig, hij hongerig. We hadden net besloten het op te geven, toen mijn oog viel op een bordje met de tekst “Ramsj in de kelder”. Hij zag het ook. We keken elkaar even aan en liepen toen naar beneden.

Ik lag er. Niet bij de ramsj, maar bij de non-fictie. Hoewel Jaap Goedegebuure in de Trouw van 7 januari concludeerde dat literaire non-fictie in opkomst is, wordt het genre blijkbaar toch diep weggestopt. Het maakte niet uit, want voor het eerst zag ik mijn eigen boek staan. Staan, want ze stonden rechtop, tegen de muur, zes naast elkaar. Ik was trots. Een dag later stuurde Jildert Niessen me bovendien een foto (foto hiernaast) van mijn boek in een boekhandel in Leeuwarden. Hij krijgt dat biertje.

Over bier gesproken: de studiegenoot uit Amsterdam besloot dat we lang genoeg getreuzeld hadden en dat het tijd was om te gaan interviewen. We zochten een café en bestelden twee biertjes. De ober zette ze voor ons neer.

“Alstublieft, twee Amsterdammertjes.”

Dat voelde toch weer even net als vroeger.


Permalink to Iemand nog een oliebol?

Iemand nog een oliebol?

Bij mij in de straat knalt het af en toe zo hard dat de autoalarmen geactiveerd worden. Het is de eerste keer dat ik de jaarwisseling vier in Den Haag en dat blijkt toch heel anders dan oud en nieuw in Zuidbroek. Is het daar nog een eenzame vuurpijl die op oudjaarsdag afgaat, of enkele door rotjochies gegooide knallers, hier schrik ik de hele dag op omdat de ramen in de sponningen trillen.

Niet alleen buiten is het anders. Mijn appartementje staat inmiddels blauw van de rook. Nergens waren meer fatsoenlijke oliebollen te krijgen (die lekkere, zónder krenten) en ik had het quasibriljante plan opgevat om ze zelf maar te gaan bakken. Dat blijkt geen goed idee als je grootste pan een inhoud van ongeveer twee liter heeft, je afzuigkap half werkt en alleen het raam in de slaapkamer open kan. En dan nog niet eens te ver, want een wijd openstaand raam zouden ze hier beneden in de straat nog wel eens als een uitnodiging kunnen opvatten…

Ik denk na over het voorgaande, maar ook het komende jaar. Dit jaar heb ik enkele maanden les mogen geven op een mbo-school, heb ik mijn bachelordiploma behaald, ben ik met familie en vriend naar Amerika gereisd, heb ik mijn eerste boek uit mogen geven en het Hendrik de Vriesstipendium met daaraan verbonden uitgave van tweede werk mogen winnen. Ik heb ondanks dat een sociaal leven. Niemand in mijn naaste omgeving is dit jaar overleden.

“Wie is er weg? Wie kwam er bij?
Wat ik deed, deed ik het goed?
En hoe komt het dat het leven naar me lacht?”


Wat zal komend jaar brengen? Ik weet het niet. Ik kan praten en plannen, maar we zullen het zien. Er komt zoals het nu lijkt een tweede boek. Ik hoop mijn masterdiploma in ontvangst te mogen nemen. En er zijn vage plannen over een fantastische reis, waar ik binnenkort misschien meer over kan melden.

Op dit moment kan ik me in ieder geval verheugen op de komst van een paar vriendinnen uit Groningen. Terwijl ik zit te wachten, kijk ik naar de zwartgeblakerde oliebollen. Vlak onder mijn raam ontploft iets. Ik schrik op. Het belooft een knallend jaar te worden.


Permalink to Literatuur top 10?

Literatuur top 10?

Het schrijven en mogen uitgeven van een boek is niet alleen leuk, het confronteert je ook met je eigen onhebbelijke trekjes. Zo heb ik de laatste drie weken ontdekt dat ik toch wel heel ijdel en aandachtsgeil ben. Ik loop elke boekhandel in – draag nog net geen zonnebril of camouflerende sjaal – om stiekem te kijken of mijn boek er wel verkocht wordt. Als ik hem niet zie liggen, loop ik weer weg. Maar natuurlijk niet voordat ik degene met wie ik op dat moment door het winkelcentrum struin de opdracht heb gegeven om even in de boekhandel te vragen of ze “dat nieuwe boek van Marcella Veldthuis, Boven water, waarover ik zoveel gehoord heb!” ook verkopen. Zo heb ik mijn vriend al zeker tien winkels in gestuurd.

“Maar wat als ze dan zeggen: ‘Ja, hoor. Ik haal hem even uit het magazijn?’”

“Dan zeg je maar: ‘Goed om te weten, ik zal het aan mijn moeder doorgeven. Die wil hem erg graag!’”

Arm vriendje.

Arme ik. Mijn nieuwsgierigheid en ijdelheid is namelijk nog nooit bevredigd. Ik heb mezelf nog nooit zien liggen. Vorige week belde mijn oma enthousiast op om te vertellen dat de Bruna in Hoogezand een stapeltje had liggen. Toen ik er vanmiddag was, lag er niks meer. En ik was nog wel zo lang bezig geweest mezelf moed in te praten: als ik een stapeltje had zien liggen, had ik het willen verplaatsen naar de Literatuur top 10. “Aanrader voor de feestdagen!” Kijken wat er gebeurt.

Mijn plannetje was briljant, maar werd dus gedwarsboomd door het gebrek aan boeken. Vandaar dat ik vraag: beste lezer, weet iemand in welke boekhandel een exemplaar van Boven water te vinden is? Sterker nog: de eerste persoon die een foto maakt (en op mijn facebookpagina plaatst) van mijn boek in de boekwinkel – al dan niet bij de Literatuur top 10 – trakteer ik op een biertje!


Permalink to Het Logboek

Het Logboek

Bij dezen zou ik graag mijn excuses willen aanbieden. Sorry alvast, maar spinnen die in decolletés belanden passen heel mooi in mijn nieuwe boek. Watje, het spijt me, maar ik zal toch echt moeten vertellen hoe jij aan die bijnaam komt. En die keer dat we ‘s nachts naar het strand gingen en wat er daarna allemaal gebeurde is ook heel leuk om te beschrijven…

Wat is het geval? Ik ben sinds donderdagmiddag winnares van het Hendrik de Vriesstipendium! Joost Oomen en ik hebben allebei de mogelijkheid geboden gekregen een nieuw werk uit te brengen in de Hendrik de Vriesreeks. De jury zag veel in mijn plan om een boek te schrijven over vier jonge vrouwen die een boottocht maken door Oost-Groningen. Een “literaire roadmovie per zeilboot”, stond in het juryrapport. Een “coming of age-roman”, noemde een medewerkster van uitgeverij Passage het al. Verraad, zal iedereen die ooit in het ongecensureerde logboek - dat ik als inspiratiebron gebruik - heeft geschreven het noemen.

Sinds 2008 gaat Het Logboek bij elke bootgerelateerde activiteit mee. Iedereen schrijft (of tekent) altijd trouw. Er staan serieuze verhalen in over beroepskeuzemogelijkheden, verslagen van doorgehaalde nachten en tekeningen van mensen die nog niet eens oud genoeg waren om al schrijven geleerd te hebben. Oorspronkelijk zijn we ermee begonnen om later op terug te kunnen kijken, als we oud en grijs in een bejaardentehuis zitten. Volgend jaar zal ineens iedereen delen eruit kunnen lezen. In mijn nieuwe boek.

Hoe het nieuwe boek gaat heten? Hybris. Oudgrieks voor overmoed, hoogmoed, overdreven arrogantie en het uitdagen van de goden. Een passende titel, lijkt me.

Page 1 of 212