De rechterhandschoen is nog nat. Ik voel het zweet van mijn voorganger. Als ik de bokshandschoenen straks uittrek, zullen mijn vingertoppen gerimpeld zijn, alsof ik te lang in bad heb gezeten. De geur die de dingen afgeeft, krijg je de eerste paar dagen ook niet van je handen af. Ik heb geprobeerd te wassen met afwasmiddel, allesreiniger en tandpasta, maar het helpt niet: de scherpe stank nestelt zich onder je nagels en kruipt in je poriën.
Ik sta in de Haagse boksschool, op drie minuten lopen van huis. Mijn buurmeisje staat tegenover me. We zijn de enige vrouwen in de beginnersgroep. De instructeur schreeuwt naar ons dat we harder moeten slaan, dat we sneller moeten uitstappen, en dat we onze handschoenen bij de kin moeten houden. Mijn buurmeisje trekt een vies gezicht. Ze is best wel een tutje, en vindt de handschoen té erg stinken om hem bij haar kin te houden. Toch genieten we enorm van de lessen. Boksen blijkt een fantastische activiteit om alledaagse, of minder alledaagse, zaken even te vergeten. Terwijl ik buurvrouw een linkse directe op haar geheven handschoen geef, vergeet ik dat de boekpresentatie van Hybris al over een paar dagen is. Als ik een rechtse hoek op haar laat neerkomen, denk ik even niet aan de interviews die ik moet afnemen en geven. Bij mijn linkse opstoot zijn al mijn zorgen weg, hoef ik me over niets anders druk te maken dan goed boksen en de leuke jongens die buurvrouw aanwijst. “Is dat niet iets voor jou? Nee? Nou, ik neem hem wel, hoor!”
Enige tijd geleden zaten we samen op de bank, rokend en drinkend, terwijl we tegen elkaar zeiden dat we echt weer zouden moeten sporten. Volgende maand, of zo. We bedachten toen dat we elke week een andere proefles zouden kunnen volgen. Dat werd geen succes. De eerste week gingen we naar yoga. De instructrice bezorgde me de kriebels, vooral omdat ze voortdurend zei dat ‘we een wens in gedachten moesten houden, visualiseren, bijvoorbeeld wereldvrede’. Dat was iets te zweverig voor me. Bovendien moesten we elke houding drie minuten aanhouden. Dat voelde niet bepaald als sporten.
De week erop hebben we een proefles pingpong gevolgd. Ik heb nog steeds nachtmerries over de Aziatische meneer die zonder te knipperen al mijn verkeerd geplaatste forehand-, slice- en backhandballen met één hand uit de lucht ving, om zonder pauze te nemen de bal weer op te gooien. Op zijn t-shirt stonden twee brandende tafeltennisbatjes, met de tekst ‘My sport, my love’. Het was een leerzame ervaring (zo heb ik ontdekt dat pingpong erg populair is in Maleisië) en ook echte sport (ik geloof niet dat ik ooit eerder zoveel spierpijn heb gehad), maar ik durf echt nooit meer terug naar die man.
Zo kwamen we dus terecht bij boksen. Dat hebben we nu al een paar keer gedaan. Zodra we hier genoeg van hebben, gaan we wel weer proeflessen volgen, maar voorlopig nog niet. Ik staar dromerig voor me uit. Dan slaat mijn hoofd achterover. Buurmeisje sloeg te vroeg, wachtte niet tot mijn handen opgeheven waren, zodat ze daar tegenaan kon slaan, maar mepte al terwijl de stinkende handschoen nog keurig tegen mijn kin aan zat. “Oh, sorry!”, haast ze zich te verontschuldigen. “Je zat te dromen! Waarover, de boekpresentatie komende zaterdag, of de interviews die je moet doen?”
En met een klap ben ik weer terug in de realiteit.








Van Zetten ook goud, graag
“De salto. De Gaylord 2. Kan hij doorgaan? Ja, hij kan doorgaan! Hij heeft wel iets vertraagd, maar hij kan door. Hij doet zijn hele oefening hoor. Hij gaat voor zeven negen. Dan de halve draai, dan moet nog de kwast komen en is allesbeslissend nu de afsprong. De afsprong. Dubbele salto, flying Dutchman!” Het enthousiasme van turnpresentator Hans van Zetten werkt aanstekelijk. Onder turners is de presentator dankzij zijn kennis van de sport een begrip, maar ook voor de onbevangen kijker maakt de commentator de sport leuk. Zo vertelt Van Zetten, wanneer op vloer een hoge hoeksteun uitgevoerd wordt, dat hij die zelf vroeger ook in zijn eigen oefening had. Die kon hij thuis namelijk oefenen omdat hij er geen toestellen voor nodig had.
Van Zetten (63) is ooit begonnen als wedstrijdturner. Daarna werd hij clubtrainer, bondscoach en docent, om uiteindelijk bij zijn huidige baan als televisiecommentator te belanden. Zijn uitgebreide cv staat vol met sportgerelateerde betrekkingen. Zo neemt hij plaats in sportadviesraden en schrijft hij columns voor het GYM magazine van gymnastiekbond KNGU. Voor de NOS is hij specialist voor artistieke olympische sporten, zoals turnen, ritmische gymnastiek en trampolinespringen. Zijn rijke verleden binnen de turnsport schemert voortdurend door in zijn commentaar.
Van Zetten maakt de kijker vertrouwd met begrippen als de ’tsukahara-techniek’, legt geduldig uit dat een trillende rekstok bij de afsprong betekent dat die afsprong niet goed is ingezet, en vertelt dat het zo moeilijk is om schroefsalto’s te turnen omdat een turner om twee lichaamsassen tegelijk moet draaien. Ook zegt hij dat jonge vrouwelijke turnsters altijd in het voordeel zijn: de gemiddelde leeftijd tijdens de kwalificaties was niet voor niets achttien jaar, waar de gemiddelde leeftijd tijdens de finales zeventien jaar was. Dat zijn leuke feiten, die Van Zetten ogenschijnlijk moeiteloos combineert met zijn expertise en enthousiasme. Door vrij verder te associëren, lijkt hij soms bijna te vergeten dat er turnen uitgezonden wordt. Tot het volgende spectaculaire element hem een uitroep ontlokt.
Van Zetten is vertederend. Het aantal keren dat hij bij vertraagd uitgezonden beelden van een schaapsprong (website KNGU: “Sprong met achterwaartse buiging van het bovenlichaam en hoofd achterover en de voeten bijna het hoofd rakend”) verbluft uitroept dat “de tenen de neus bijna raken!” is ontelbaar. Net als zijn oprechte verwondering als turnsters het voor elkaar krijgen om met méér dan honderdtachtig graden beenspreiding spagaatsprongen te turnen.
Gisteren becommentarieerde Van Zetten de oefening van Epke Zonderland. Zonderland haalde zijn befaamde Cassina-Kovacs-Kolmancombinatie: drie vluchtelementen achter elkaar, die gecombineerd extra verbindingswaarde opleveren. Van Zettens commentaar op deze historische prestatie leverde hem veel lof op Facebook en Twitter op. Overal verscheen de oproep om Van Zetten óók een gouden medaille te geven. In navolging van de Mart Smeets-bingo verscheen nu ook de Van Zetten-bingo, met klassieke uitspraken als ‘amplitude’, ‘Code of Points: de turnbijbel’, ‘nahup’ en ‘kleine balansverstoring’.
Meer dan terechte lof voor de presentator, die een onuitwisbare indruk achterliet op de luisteraars: “En hij staat! En ik sta! Het is ongekend! Epke Zonderland heeft hier de oefening van zijn leven geturnd! Hij staat en iedereen! Ik sta ook! Ik ga helemaal uit mijn dak!” Om vervolgens trots te vertellen hoe mooi het is als je voor het eerst in je leven een reuzendraai mag turnen. Daarna, plechtig: “Jongetjes van Nederland, het kan dus. Ook al woon je in Nederland. Ga aan de slag! Ga aan het werk! Stel een doel!”
Geef die man een medaille. Niet alleen voor Zonderland was het de oefening van zijn leven, maar óók voor Hans van Zetten.